In deze rubriek vertellen behandelaren over een bijzondere cliënt van wie zij iets geleerd hebben. In deze bijdrage vertelt klinisch psycholoog/P-opleider Hetty Vromen over een cliënt met angstklachten.
Hoe pak ik de draad op als psycholoog, nu mijn partner net aan een hartaanval is overleden? Mijn collega’s houden rekening met me: ‘Kies vooral die cliënten waarvan je denkt dat de behandeling te doen is’. Maar welke zijn dat? Het eerste MDO waar ik bij ben gaat over een cliënt waarvan de eerste echtgenoot aan kanker is overleden die zich nu aanmeldt omdat haar tweede echtgenoot plotseling is overleden aan een hartaanval. Nou, doe die maar niet naar mij.
Een eerste behandeling bij een vrouw van veertig met fobische klachten? Ja dat lijkt wel een goede optie. Ik begin het gesprek met goede moed. Wat zijn de klachten?
‘Nou ik hyperventileer nogal veel en dan durf ik nergens heen. Ik vermijd de straat, ga niet meer naar clubjes en heb vaak een versnelde ademhaling en dat vind ik eng.’
‘Waar ben je bang voor?’
‘Nou om een hartaanval te krijgen.’
Ik voel me bevriezen en vraag nog wel: ‘ben je bekend met hartklachten?’
‘Nee dat niet, maar mijn vader, mijn neef en mijn broer zijn allemaal overleden aan een hartaanval of hartfalen.’
Mevrouw vertelt verder, maar ik hoor niet zoveel meer. Ik weet niet meer wat ik moet zeggen, ben alleen nog maar bezig met hoe ik het gesprek tot een einde kan brengen. Vragen stel ik niet meer, mevrouw vertelt nog van alles wat mij allemaal ontgaat. Knikken lukt nog wel, meer heeft ze niet nodig om door te praten. Ik voel me falen als behandelaar. Als de tijd bijna om is vraag ik nog wel: ‘Heeft u nog hobby’s?’ We maken een afspraak voor over twee weken.
‘Moet ik deze behandeling wel doen?’
Veertien dagen aan het tobben: Moet ik deze behandeling wel doen? Moet ik aan mijn collega’s bekennen hoe het gesprek gegaan is en waar ik allemaal over twijfel? Een angstbehandeling moet ik toch kunnen? Ik ben ook nog hun teamleider, dan kan ik dit toch niet vertellen? De dagen gaan voorbij en ik zit weer tegenover dezelfde mevrouw. Nog voor ik begin zegt ze: ‘Het vorige gesprek was toch zo fijn. Ik heb ook helemaal geen gekke ademhaling of angst meer gehad. U onderbrak me gewoon helemaal niet. Ik kon alles vertellen, terwijl anderen me altijd onderbreken of er iets van vinden.’